
En plots stond daar een lammetje. Ik had dit niet voorzien, ‘maar dat is het leven’, dacht ik toen ik was bekomen van de schrik. Toen ik het erf op kwam, waren moeder en kind nergens te zien. Er stuiterde slechts één ooi in de wei, nog meer opgewonden dan anders, met bokkensprongen, flapperende oren en pathetisch gebleit, zoals schapen dat doen in een tekenfilm. Ik vreesde dat de andere ooi was gestolen of – erger nog – met afgesneden kop in een plas bloed was achtergelaten. Op zo’n momenten merk je aan de reflexen van je lichaam dat je diep van binnen al lange tijd op de toppen van je tenen loopt. Hoewel je weet dat deze dieren beter voorbereid zijn op het leven dan jij, verwacht je het ergste. Wat kan er allemaal niet gebeuren op een afgelegen boerderij die in de wijde omtrek enkel gekend is als ruïne? Toen ik hier toekwam – drie-en-een-half jaar geleden – was de plek een ravage: hoeve, erf en tuin. Ik ben niet iemand die wacht op het initiatief van overheden of andere verantwoordelijken. In het Ommelandverbond staat Hof ter Walle omschreven als een plek waar natuur, landbouw, erfgoed en bewoning een nieuw gebalanceerd huwelijk aangaan. Dat had ik zelf zo onderhandeld. Het lot gaf me de mogelijkheid om het ook mee uit te voeren. De vorige bewoner was het afgetrapt en de antikraakfirma die het gebouw beheerde vond mij als nieuwe bewoner. Dat ik zelf al ervaring had met permacultuur en mijn jongste dochter zich aan het verdiepen was in regeneratieve landbouw en voedselbossen, bracht de kar aan het rollen. Sindsdien hebben we veel hindernissen moeten overwinnen, want wonen bleek al snel niet verantwoord. Gebrekkig beheer en verval hadden het woonhuis onbewoonbaar gemaakt. Niet getreurd: we waren hier vooral om van de tuin iets te maken. De moestuin hebben we van de oorspronkelijke plek voor het woonhuis verhuisd naar een andere plek (Zie schets).

De voortuin was een gevarieerd biotoop geworden met zeldzame en minder voorkomende planten als bijenorchis, kattendoorn, grasklokje, bosaardbei, smeerwortel, wilde pastinaak, glanshaver, biezen en wilde peen. Minder fijn was dat ook de woelratten en -muizen dit plekje heel fijn vonden. Hier startten we een maaicyclus om nog meer bloemenpracht te genereren. Met de zeis. Mijn zeis was een erfstuk. Had ik overgehouden van mijn jeugd in Tielrode. Op Hof ter Walle vond ik een tweede zeis. De overdracht uit het verleden kon niet symbolischer. Het volledige verhaal kan je lezen in mijn boek Heimweeën.

Ondertussen zijn we twee jaar verder en hebben we wat bijgestuurd. De zeis heeft hulp gekregen van twee schapen en de schapen hebben zelf voor extra hulp gezorgd. Onze gemeenschap breidt zich uit. En dat is ook de bedoeling. Een boerderij is een gemeenschap. Een gemeenschap van mensen, planten en dieren. Een boerderij zonder dieren en zonder gewassen is een ruine … of een fermette. Zelfs na de beste restauratie. De essentie van een boerderij is een cyclus, zoals in de natuur. Een boerderij is nooit louter een winst- of verliespost. Twee schapen heb ik gekocht. Van twee ging het naar vier en van vier terug naar drie. En bij drie zal het niet blijven, want Brammeke het rammeke zal in augustus Bram de Ram worden. En dan zal hij bij moeder en tante vandaan moeten of… En Faun zal je nooit zien dartelen, want na één dag en één nacht rust zij nu voor eeuwig in de vacht van Moeder Aarde. Maar zij is er nog. Zoals alles. Alles vloeit over in elkaar, in eeuwige wederkeer.

