“Je kan weiden veranderen in natuur, de koeien weghalen die er worden gehoed, het gras weghalen waarmee de koeien worden gevoed, de stallen afbreken waar de koeien overwinteren, en de kachel ontmantelen waar de boerin moe maar tevreden rijstpap placht te maken voor de kinderen en in stilte koeien, gras en de albestierder dankt voor de dampende melk. Maar je kan niet verwachten dat de boer die je hier weghaalt blij weg slentert en met het geld in zijn zakken de bloemetjes buiten zet.” (Heimweeën p. 189)

“In de tweede helft van de jaren 90 beslist de Vlaamse overheid dan op deze ‘lege’ – zo wordt het beschreven in de documenten – rechteroever een containerdok aan te leggen, het Deurganckdok. In 2000 laten de advocaten van Doel2020 en Bond Beter Leefmilieu (BBL) de werf van het Deurganckdok stopzetten. De Vlaamse overheid lapt al jaren de Europese vogelhabitatrichtlijnen aan haar laars. De Scheldeslikken, -schorren en -polder zijn van groot Europees belang voor duizenden overwinterende ganzen, eenden, meeuwen, steltlopers en broedende weidevogels als grutto, tureluur en kievit. De overheid gooit het op een akkoordje met de Bond Beter Leefmilieu en stemt het fameuze Nooddecreet, een nooit geziene uitzonderingswet waartegen de burger geen verhaal kan halen bij de rechterlijke macht. Deze oekaze doorbreekt de rechterlijke beslissing op een totalitaire manier: de verloren natuur zou worden gecompenseerd, terwijl de havenuitbreiding wordt verdergezet. De betonlobby vult haar zakken, maar de boeren en de burgers van de polder worden in de zak gezet. Zij moeten wijken voor haven en natuur, nieuwe natuur, voorlopige natuur, tot de overheid zal beslissen ook hier beton te gieten voor verdere havenuitbreiding. Elders zullen in de toekomst weer boeren en burgers moeten vertrekken en polderhoeves worden afgebroken voor een nieuw (voorlopig?) natuurgebied.” (Heimweeën p. 196)

“De hoeve is gelegen in de zeventiende-eeuwse Oud Arenbergpolder, tussen Kieldrecht en Doel. Die ligt wat dieper en tussen dijken. Vandaar wellicht dat deze plek De Putten wordt genoemd. Oorspronkelijk waren De Putten sterk blootgesteld aan de getijdenwerking van de Schelde, maar het gebied werd vanaf de twaalfde eeuw geleidelijk gewonnen op het water. In deze periode begon ook de ontginning van turf. Door de eeuwenlange werking van eb en vloed was op deze plek een veengebied ontstaan. Door de explosieve bevolkingstoename en de ontbossing in het rijke middeleeuwse Vlaanderen werd hout als brandstof schaars en werd de brandbare turf heel lucratief voor de toenmalige grondeigenaren. De turfontginning ging gepaard met veranderingen in het landschap. Afwateringskanaaltjes werden gegraven en dijken aangelegd. De ontginning trok werklieden en hun gezinnen aan, waardoor er kleine woonkernen ontstonden, waaronder de Wambuys. De gronden werden in eerste instantie verpacht als graasgronden voor het vee. Later kregen ze ook de functie van landbouwgrond. Herhaaldelijke overstromingen en inundaties tijdens de Tachtigjarige Oorlog tussen Habsburgers en Staatsen vormden het landschap tot wat het vandaag is: de vruchtbare Oud Arenbergpolder, met aan de rand een zilt meersengebied waar enkel extensieve veeteelt rendeert.” (Heimweeën p. 195)

“Op 9 maart 2010 bezetten we Hof ter Walle opnieuw. Twintig actievoerders zijn bij nacht en ontij opgeroepen. Het baken van de polder wordt opnieuw bedreigd. Inderhaast wil de Vlaamse Landmaatschappij die lastige getuige van het poldererfgoed omverhalen. Op 15 maart begint het broedseizoen van de kievit. Dan moet de klus geklaard zijn. De afbraakfirma is verrast. De wanhoopsactie heeft resultaat: er is eindelijk topoverleg binnen de regering. Zo wordt toch gezegd, of zo laat men uitschijnen. De actievoerders worden door de politie van het terrein gezet. In een dolle rit beukt een werknemer van de afbraakfirma met een traktor de schuurdeur in, richt lukraak vernielingen aan en boort zich door de achterwand naar buiten. Op dat eigenste moment houdt minister-president Kris Peeters een pleidooi voor het behoud van Hof ter Walle in het parlement. Van cynisme gesproken. Het kabinet van erfgoedminister Bourgeois stuurt snel een deskundige: Hof ter Walle is nog te redden. Deskundigen van het aan te leggen natuurgebied beweren evenwel dat de hoeve door de vernatting van het natuurgebied niet te handhaven zou zijn. “Zou een dijk rond Hof ter Walle dan een oplossing zijn?” vraagt het kabinet-Bourgeois in een nachtelijk telefoongesprek met mij en Jan. “Zo! De Vlaamse Landmaatschappij beweert dat de hoeve onder water komt te staan? En hoe zien ze dat dan? De hoeves liggen op straatniveau. Wil men dan van deze druk bereden weg een watergang maken?,” antwoord ik. Aan de andere kant van de lijn blijft het oorverdovend stil. Bourgeois voelt zich bedrogen en trekt zijn conclusies. In een parlementaire interpellatie ’s anderendaags verklaart hij dat Hof ter Walle wordt beschermd. “Er is nog maar weinig gedaan voor het agrarisch erfgoed,” voegt hij eraan toe. Deze eerste stap zou een mijlpaal worden.” (Heimweeën p. 154)

“Zoals na elke oorlog vraag je je af wat je eigenlijk hebt gewonnen. Hof ter Walle heeft geen boer meer, geen dieren, geen (boeren)leven. De dakbedekking van de monumentale schuur is weggehaald. Het skelet van de schuur staat in de polder als het skelet van een gestrande walvis. De historische hoeve naast Hof ter Walle is afgebroken. Ook de boerderij aan de overkant van de straat is afgebroken. In Prosperpolder wordt de Antoniushoeve weg gebulldozerd. Alles zonder pardon, zonder erfgoedtoets, zonder de minste documentering, nochtans een wettelijke verplichting. De bescherming van Hof ter Walle betekent echter een trendbreuk. Het is een revolutie in de hoofden. Aanvankelijk niet erkend als erfgoed en omschreven als ‘bedrijfsgebouw’, is de hoeve beschermd, ondanks de bestemming van de omgeving als nieuwe natuur ter compensatie van opgeofferd Europees habitatgebied. ‘Biodiversiteit’ en ‘behoud van historisch landschap en erfgoed’ hoeven elkaar niet meer uit te sluiten. De boer is weg, maar zijn erfgoed wordt voor de eerste maal erkend.” (Heimweeën p. 201)

“Mijn gedachten schieten over en weer en zijn wispelturig als de herfstluchten boven de polder. Het blad van de zeis is aangescherpt en ik moet voortdoen, want het weer wordt guurder. Het is echt niet het moment van het jaar om te maaien, maar ik kan niet anders, wil ik in het voorjaar de moestuin zaaiklaar krijgen. Meer dan tien jaar ligt deze grond braak. Gras en kruiden staan een halve meter hoog. Ik herken weinig, want alles is dor en uitgebloeid. Een deel van de moestuin is wilgenopslag geworden. Het is half november en ik ben de nieuwe bewoner van Hof ter Walle. Dat had ik niet gepland en al helemaal niet op dit moment. Het kwam toevallig naar mij toegewaaid, samen met de gure herfstwinden. De vorige bewoner was plots vertrokken en het vastgoedbedrijf dat de site beheert zocht een nieuwe bewoner. Het pand was na al die jaren van minimaal beheer heel onderkomen, bijna onbewoonbaar. Ik twijfelde lang. Ik kon er nachtenlang niet van slapen, maar ik hakte dan toch de knoop door. Het lot gaf mij een schop onder de kont, alsof het riep: “Nu kan je je ideeën in de praktijk brengen. Nu kan je helen. Waarop wacht je nog?” De moestuin is nog het minste probleem. Dat is een kwestie van even doorbijten. Het eigenlijke werk zou kunnen wachten tot het voorjaar. Het probleem is de boerderij. Daar had sinds de laatste boer en boerin het hebben moeten achterlaten geen hand iets liefdevol en warms gedaan.” (Heimweeën p. 306)