‘… De hoeve staat in de Oud Arenbergpolder aan de rand van het natuurgebied De Putten, een weidelandschap tussen de dijken waar tot in de zeventiende eeuw turf werd gestoken en dat sindsdien maar weinig is veranderd. Het gebied wordt gevoed door zilt kwelwater en huist naast allerlei weide- en watervogels, zeldzame planten als greppelrus, schorrenzoutgras en blauw kweldergras. Achter de dijk ligt een uitgestrekte plas. In de jaren 70 is die uitgegraven om de talud van de expressweg te voorzien van voldoende zand. De plas is bij weinigen bekend. We kunnen er uren ravotten in het water zonder gestoord te worden door pottenkijkers. In de zomer van 1988 nodig ik er mijn vrienden uit voor een feestje. Ik word 21 jaar. We dragen er een paar bakken bier heen en dompelen die onder water. De flessen worden onder water ontkurkt, opgeduikeld en koel aan onze lippen gezet. De zomerhitte wordt weg gezwommen en gedronken. We hebben ons paradijs gevonden in eigen land. We zitten vol wilde ideeën en ontginnen een akker als gemeenschappelijke moestuin. De sla en de wortels worden gedecimeerd door de talrijke konijnen en watervogels, maar dat kan ons niet tegenhouden. We delen de rijkdom graag. Onder het gebinte van de oude schuur op het erf houden we onze polderoogstfeesten. De schrale oogst wordt binnengereden op een boerenkar. Er wordt soep gemaakt en de bierflessen wachten in grote teilen water. De boerenkar wordt naar een hoek van de schuur gereden en doet daar dienst als podium voor de volksmuzikanten van ons eigen polderorkest. We dansen polka’s, bourrees, scottishen en walsen de nacht om. De lichtkransen in de nok van de schuur geven het feest een feeërieke sfeer. Het is als een schilderij van Bruegel, maar dan echt, met jongeren die dit zelf hebben uitgevonden, mocht het nog niet bestaan hebben. Voor ons zijn de eeuwen tussen Bruegel en nu onbestaande. Dit is onze identiteit, het volle leven.

De haven is ver weg. We weten niet dat haar weeën maar even gestopt zijn. Het oude plan om de Scheldebochten te vermijden met een Baalhoekkanaal dat deze streek zou vernietigen is net opgedoekt, maar nieuwe plannen voor containerterminals broeden al in de hoofden van de machten. Zij zien deze streek met haar polders, plassen, geulen en oude boerderijen als een wingewest, als een leegte die gevuld moet. Wanneer op een van onze jaarlijkse polderoogstfeesten enkele vrienden van vrienden de schuur binnenwandelen langs de lage knechtendeur en opgenomen worden in een wervel van vriendschap en ongecompliceerd plezier van volksdansende en musicerende jongeren onder een gewelf van eeuwenoude balken, willen ze het feest afhuren voor de prestigieuze serviceclub waarvan zij het bestuur uitmaken.

-“Hoe bedoelt u?” vragen we verbaasd. -“Wel, gewoon, doe dit voor onze leden, gewoon, zoals jullie nu doen en laat onze mensen daarvan meegenieten!? Dit is authentieker dan Bokrijk. Wat een sfeer hangt hier!” -“Maar dit is ons feest, het is geen toneelstukje hoor!” -“Jaja, maar we betalen ervoor. Noem ons jullie prijs. We betalen wat jullie vragen!” We schudden onze hoofden, lachen schuchter en verbergen ons achter ons bierglas. Niet alles is te koop, weten we. En zeker onze ziel niet.’ (Heimweeën p. 36-37)

Plaats een reactie